Staphoofdstad

De rapporten vliegen je om de oren als het over het uitgaansleven in Rotterdam gaat. Volgens een onderzoek van Centrum Veilig en Gezond Uitgaan wordt het uitgaansleven ‘ontsierd door overlast, geweld en vandalisme, meestal onder invloed van alcohol.’ In een rapport van bureau DHV (Vrijetijdseconomie) klagen party-organisatoren steen en been over de overdreven veiligheidsmaatregelen. Ted Langebach: “De kosten voor veiligheid rijzen de pan uit en zijn er debet aan dat ondernemers de begroting niet meer rond krijgen voor enig gedurfd programma.” Om uit deze uitgaansimpasse te komen zit er niets anders op dan het gedrag van ratten te bestuderen. Volgens de SID (Stichting Informatie Dierproeven) zijn ratten namelijk net mensen. Ze leren snel en hebben relatief grote hersenen. Dat vergemakkelijkt de studie naar giftige en verslavende stoffen op ‘t gedrag. Dus werd er onderzoek gedaan naar de invloed van drank, drugs en nicotine op het knaagdier. De helft van
de proefkonijnen, zo’n veertig ratten, had zich een stuk in de kraag gezopen en zag groen van het paffen. De andere helft had alleen gedronken. Wat bleek? ‘Ratten die roken worden minder snel dronken dan ratten die niet roken. Ze hadden zelfs de helft minder alcohol in hun bloed!’ De ratten die niet hadden gerookt tijdens het drinken werden strontvervelend, braken de eigen habitat af, terroriseerden de andere sekse en maakten excessief veel kabaal. De rokende én drinkende rat daarentegen bleek mak als een lammetje. Wat leren we hier? Precies. Altijd roken wanneer je drinkt! Bij een ander onderzoek kregen ratten XTC toegediend in combinatie met luide muziek. Het testosteronniveau daalde aanzienlijk en daarmee ook de agressiviteit. Enkele ratten maakten daarbij vreemde heupbewegingen en gedroegen zich opmerkelijk extravagant. Conclusie: willen we leer trekken uit het behaviorisme van ratten, dan dient de stappende Rotterdammer zuipend én rokend, bij voorkeur met een pil MDMA in de mik, in excentrieke snit, downtown naar knalharde beats te luisteren. Precies de ingrediënten die de havenstad begin jaren ‘90 tot staphoofdstad van het land maakte.

Zomerinterbellum

Zo. Zijn we er weer? Terug van de costa’s, côtes, kibboets en playa’s? Uitgerust? Je zou zeggen dat de havenstad tijdens de zomervakantie ook in rustiger vaarwater terecht komt, maar niets is minder waar. Onze stad doet niet aan komkommertijd, het is hier altijd een beetje oorlog. Een update: er zijn records gebroken. Niet eerder viel er zoveel nat op de stad en niet eerder was er zo weinig zon in de zomer. Degenen die voor ‘t halve uurtje juli-zon naar het Hoek van Hollandstrand tuften, hoefden zich niet in te smeren, aangezien er een vuistdikke laag aangespoeld kaarsvet lag. Pootjebaden was er ook niet bij, want er waren weer haaien gespot in de Noordzee. Met de metro naar de binnenstad bleek ook geen sinecure. Een ‘kapot kastje bij KPN’ legde de ondergrondse volledig lam. Even klaarde alles op. Prince kwam naar
North Sea Jazz. Maar tegelijkertijd ging jazztempel Dizzy failliet. Het Maasstad Ziekenhuis veranderde van koers, en werd het Maasstad Uitvaartcentrum. Opnieuw een declaratiecrisis in de Rotterdamse raad: iedereen pakt er maar lukraak de dienstauto. Opnieuw blunderput-toestanden bij een parkeergarage aan de Kralingse Zoom. De bouw ligt al tijden stil. De Eurogames: doorslaand succes. Jammer dat het gros van de Rotterdammers denkt dat ze nog moeten beginnen. De Dance Parade verliep zonder incidenten. Want die ging niet door. Maar gelukkig: niemand is doodgeschoten tijdens het Zomercarnaval! Wel is een politieman in z’n vinger gebeten. Hij maakt het naar omstandigheden goed. Stemmen gaan op om ook dit festijn voortaan maar te schrappen. En waar was Aboutaleb eigenlijk? Dan het meest nutteloze festival der festivals: dat ge-city-race. Een schaamteloze merkenorgie zonder dat er daadwerkelijk geracet wordt, terwijl wel ons asfalt aan gort wordt gescheurd. Waar gaat dit over? Dan het ergste: economen voorspellen dat Rotterdam over 2011 een tekort zal hebben van ruim 100 miljoen! Waar zijn de wethouders wanneer je ze nodig hebt? Precies, die doen wel aan komkommertijd. Zeven weken lang. Tja, het zomerinterbellum doet de stad écht goed. Kunnen we nu weer aan de slag?

Ontgroenen

Eens in de zoveel tijd ga ik met m’n neef, een eeuwige TU-student, op een escapismetrip. Een korte reis met een duidelijk oogmerk: compleet los gaan. Zo rookten we Marokkaanse kif in het Rifgebergte, dronken we goudbruine Añejo in Havaanse bodega’sen aten heilige paddenstoelen in het Oaxacaanse hooggebergte. Nu sinds kort de legendarische groene absint weer legaal geschonken mag worden gaan we naar Parijs. In zijn omgebouwde duurzame 2cv die op ethanol (alcohol) rijdt. En aangezien dat nergens te tanken is, hebben we jerrycans vol in de achterbak.
Ons doel? Absint drinken zoals de Boheemse kunstenaars dat deden in het Parijs van begin vorige eeuw. Niet dat hedendaagse slappe bocht. La chose réelle! De authentieke ‘Groene Fee’ waardoor Vincent van Gogh het eigen oor afhakte, Ernest Hemingway For whom the bell tolls schreef en schrijver Oscar Wilde zei: “Na het eerste glas zie je alles zoals je zou wensen. Na het tweede zie je het zoals het niet is. Na het derde zie je alles zoals het écht is.”
We waren getipt over een ‘hidden bar’ in het Quartier Latin waar het eeuwenoude elixer nog geserveerd wordt als in de dagen van weleer, “L’heure verte.” De spanning stijgt. Zou de groene heks ons wel mogen? We kloppen aan. Via een zware deur belanden we in een obscure ruimte. De barman bromt: “Vous désirez la recette ancienne?” (Willen we het antieke recept?) “Oui!” knikken we. Als een alchemist voert hij het ritueel uit. Suikerklont op geperforeerde lepel, druppelend ijswater, gifgroen destillaat dat in een melkachtige substantie transformeert, de geur van anijs…
Twaalf uur later zitten we in een Franse douanecel. Niet omdat we met studentes in de Seine waren gesprongen of omdat we naast zigeunermusici laveloos chansons stonden te karaoken. Wel, omdat we bij gebrek aan voldoende ethanol, liters absint in de benzinetank hadden gegooid (…) en daar geen accijns voor hadden betaald. We konden kiezen: alsnog accijns betalen of de auto terstond ‘ontgroenen’.

Death Parade

Ruim honderd jaar geleden trok een enorme karavaan feestende mensen ‘s avonds door de Rotterdamse binnenstad; het was de moeder aller Dance Parades. Alleen had deze optocht een rouwrand. De meest roemruchte wijk van de stad, de Zandstraatbuurt, moest het veld ruimen voor een nieuw Stadhuis. Op de laatste avond, voordat de sloophamers arriveerden, ging het dak er nog één keer helemaal af.
Het Rotterdamse getto was legendarisch. Het vormde het decor van Pietje Bell, de bakermat van volkszanger Louis Davids en was een broeinest van criminelen en bohemiens. ’s Nachts was niemand er z’n leven zeker.
Chroniqueur Jo Brusse deed verslag van die allerlaatste avond, waarbij rissen lieden over straat zwalkten. ‘De lijven slap, de haren losgezakt onder ’t dansen in de dringende volte, de hoofden achteruit geleund, de roode monden in witte extasegezichten aan ’t gieren, dat ’t schorre, grollende dronken geluid zoo opsloeg tegen de geveltjes aan. De beruchtste types vierden het begrafenisfeest mee. In een allerlaatste stuiptrekking dreven de vloeren van de horecatempels van de drank.’
L’Histoire se répète! Dit is niet anders dan hoe wij het tegenwoordig graag zien. Jammer dat Rotterdam na zo’n lange traditie een Dance Parade vandaag de dag niet meer aandurft. Vandaar dit historisch verantwoorde Stadsalternatief nrrrr.: 7!

Death Parade

Een lange hossende rouwstoet dat voor één nacht de grond waarop het Stadhuis werd gebouwd, herclaimt en omdoopt tot de vuige Zandstraatbuurt van weleer – ‘eens tot in verre werelddelen Rotterdams roem’. Een dodenmars waarbij we rouwen om al dat van ons is heengegaan en vieren dat ons überhaupt nog iets te wachten staat…
Coolsingel nr. 10 dient wel mee te werken en ieder jaar voor één nacht te transformeren in een bolwerk van drankgelag en lichte zeden. Op 12 augustus is het exact honderd jaar geleden dat de eerste paal van het Stadhuis geslagen werd. De havenstad had een groeistuip ondergaan en daar hoorde een groter stadhuis bij van internationale allure. De bouw veegde in een klap de verpauperde wijk van de kaart. Maar niet zonder protest. Overal in ‘De Polder’, zoals de buurt in de volksmond heette, hingen rouwkaarten. ‘Heden overleed na een langdurig en vreugdevol bestaan De Zandstraat. Alleen zij die haar bij leven hebben gekend, kunnen ten volle beseffen wat smartelijk verlies dit is.’
Tijdens die definitieve avond van haar bestaan vierden klanten en inwoners er nog eenmaal een groots en meeslepend begrafenisfeest. ‘Dwars door alle chaotische taferelen,’ vervolgt Brusse, ‘reed een open rijtuig met vier vrouwen in zwarte gewaden en rouwsluiers. Omringd door joelende Zandstraatklanten: zeelui, zondagsridders, misdadigers, sjappi-touwers en hun trouwe meisjes, die langzaam slenterend de nachtstad introkken en luidkeels Het Polderlied scandeerden: “De heele keet wordt afgebroken / De heeren krijgen d’r zin / De meides motten uit d’r zaakies / De burgemeester trekt er in.”’

Dus Stem! En kies voor ouderwets boemelen. Opdat we onze feestende voorouders en de legendarische Moeder aller Parades voor één nacht in ere herstellen…

De Paal van Aboutaleb

Aanvankelijk moesten we nog even wennen aan burgervader Aboutaleb. Het was ook compleet nieuw voor ons: een geheelonthouder als burgemeester. Maar sinds ‘Appie’ onlangs zijn dienstauto uit schoot om hoogstpersoonlijk een winkeldief in de kraag te vatten, kan hij niet meer stuk. Binnenkort wordt hij herbenoemd voor een nieuwe zes jaar.
Toch heeft hij nog een slag te winnen. Want wil je in Rotterdam écht tot het canon der onsterfelijken behoren, moet je uit de volksmond een bijnaam krijgen die beklijft. Bij voorkeur een die je koppelt aan architectuur. Zoals de Koopdoos van Karakus (Markthal), de Scheur van Riek (Beurstaverne), de Kist van Quist (Schouwburg) of De Erectie van Peper (Erasmusbrug). Maar bij Ahmed blijven we maar steken bij Appie. Terwijl we in de hoofdstad der bijnamen wonen! Hoe kunnen we Ab nu eens verankeren met een nieuw stadsicoon? Tijd voor een opsteker. Stadsalternatief nrrrr.: 6!
‘De Paal van Aboutaleb’
Nu het heien in de stad na jaren zo’n beetje is verstomd – alles is praktisch volgebouwd – moeten we maar weer eens wat gaan slopen. Zijn we ook goed in. De keuze is snel gemaakt: De Reus van Rotterdam, oftewel de Euromast. Ooit was het een icoon van een viriele havenstad, tegenwoordig valt die nauwelijks nog op. En een beetje toren heeft maar één functie: langer zijn dan alle anderen. Size matters. Rotterdam is gewoonweg te klein geschapen voor het huidige tijdsgewricht. In een Saoedische havenstad wordt al een ‘fallus’ van een kilometer gebouwd!
We hebben een ‘geslachtsverlenging’ nodig. Een paal van onaardse afmetingen. Eén waarbij de Toren van Babel in het niet valt. Maar… daarvoor moeten wel alle gelederen zich binnen de stad sluiten. Volgens historici zijn de Piramides van Gizeh niet gebouwd door slaven of betaalde arbeidskracht, maar door families en stammen, in rivaliserende ploegdiensten. Piramidebouwen was een volkssport. Dat moeten wij toch ook kunnen? Ook de oude Maya’s in Midden-Amerika snapten het. Om de 52 jaar stapelden die met hele volksstammen tegelijk een nieuwe laag stenen over een bestaande piramide. Dus als iedere Rotterdammer een steen bijdraagt, staat die hemeltergende paal er zo.
Tegelijkertijd wordt met dit megaproject een ander probleem aangepakt. Er worden hier veel te weinig kinderen geboren. De Rotterdamse populatie stagneert al jaren. Oude beschavingen hadden daar een krachtig afrodisiacum voor. Bouwen. Want het was algemeen bekend: vrouwen houden van mannen die bouwen. Vandaar dat de neolithische man met megalieten jongleerde alsof het kastanjes waren. De populatie rees de pan uit!
Hoogste tijd dat wij het ook weer wat hogerop zoeken. Als we onze schouders er onder zetten is dit plan appeltje-eitje en hebben we zo een paar babybooms te pakken. Maar de burgervader dient z’n bijnaam wel te verdíenen. Hij zal zich er de komende zes jaar echt hard voor moeten maken.

Dus stem! En gun Ahmed zijn paal…

Rommadam

Ieder jaar rond deze dagen voelt de stad weer aan als een gespleten persoonlijkheid. Het gros van de inwoners doet zich, op terrassen, stranden, campings en festivals, tegoed aan alles dat los en vast zit, het andere deel dompelt zich een paar weken onder in de ascese van de ramadan. Bacchanalen versus abstinentie; een groter contrast bestaat niet.
Vasten is vrijwel volledig uit de westerse cultuur gesleten en staat dan ook haaks op onze consumptiecultus. Vanuit economisch perspectief is onthouding zelfs een uiterst egoïstisch daad. De medische wetenschap daarentegen is lyrisch over de effecten van een paar dagen niet eten en drinken. Daarom dit verbindende, contemplatieve en louterende Stadsalternatief nrrrr.: 5!
‘Rommadam’
Een driedaags vast-fest in een van de Rotterdamse parken, waar helemaal niets te nuttigen valt en geen entertainment wordt verzorgd. M.a.w. er is geen reet te doen en het is er muisstil. En tóch kun je je lol op. Het is algemeen bekend dat een mens na een dag onthouding al flinke dosissen endorfine aanmaakt, lachstuipen ontwikkeld en euforisch wordt. De juiste ingrediënten dus voor een goed feest. En schadelijk is vasten al helemaal niet. Na drie dagen, zo ontdekten onderzoekers, verjongt het immuunsysteem zich razendsnel. Ze spreken zelfs van een doorbraak. Als de maag rammelt van de honger beginnen stamcellen nieuwe witte bloedcellen aan te maken die infecties bestrijden. Je weerstand krijgt dus een geweldige boost.
Het is al een enorme trend onder ’goddeloze’ stromingen als de agnostici, atheïsten, ietsisten en psychonauten (ontdekkingsreizigers van de ziel). Zij voorspellen: vasten wordt de nieuwe xtc.
De organisatie van dit beschouwende festijn heeft niet veel om het lijf, een paar vrijwilligers redden het wel. Ook de beveiliging stelt niets voor. De vastende mens is nauwelijks labiel, hulpbehoevend of agressief, dus één surveillerende drone hoog boven het kamp moet volstaan. Facilitaire kosten zijn nihil. Cateraars zijn overbodig, dus twee toiletten per duizend man is ruimschoots voldoende. Deelnemers dienen wel hun eigen tipi, yurts, kampeer- of bedoeïenentent op te zetten voor overnachting. Goeroes, imams, rabbijns, priesters en dealers hoeven niet te komen. Dit is een spirituele slowmob-abstinentie waar geen enkel tussenpersoon bij nodig is. Een EHBO-standje is wel weer handig. Maar dan de bijsluiter: je schijnt na een paar dagen onthouding al heftige visioenen en hallucinaties te kunnen krijgen…

Nou, dat is mooi, want wanneer heeft een festivalganger ooit nee gezegd tegen een gratis trip? Dus stem! Verhongert, en reis door de deuren van perceptie.…

Zestienhof

Als Stadsalternatief nr. 4 zou luiden: “we veranderen de naam ‘Rotterdam The Hague Airport’ terug in ‘Zestienhoven,’” weet ik zeker dat heel de stad zich als één man achter dit plan zou scharen. Het is dan ook van de zotte. Waar waren wij met z’n allen toen die naamsverandering in een achterkamer werd doorgedrukt? Wie snuiven er dagelijks de kerosinedampen op en worden ’s morgens gewekt door dat aviatische gebrul? Precies. Wij! Daar heeft ‘The Hague’ helemaal niks mee van doen.
En om de kosten hoeven we dit plan niet te laten: slechts 1 miljoen euro! Hetzelfde bedrag dat Den haag ooit betaalde om onze ‘luchtvaartpartner’ te worden. Maar goed, daar gaat Stadsalternatief #4 dus níet over. Wél over de uitbreiding van het vliegveld. Want daar ben ik voor. Maar dan wel met verticale vluchten. Vandaar de lancering van Stadsalternatief nrrrr.: 4!
Zestienhof
Een lowcost ruimteplatform dat ieder dagdeel een handjevol stadsgenoten de stratosfeer in transporteert.
Ik weet het, ik weet het, het klinkt wat megalomaan en duur misschien, maar zo moeilijk is het allemaal niet. De goedkoopste vlucht richting firmament hoeft tegenwoordig niet meer te kosten dan een paar duizend euro. Cheap Access To Space, oftewel ‘CATS’, heeft een enorme vlucht genomen de laatste jaren. Neem de “Rockoon” (raketballon – bestaat al sinds 1949). In een hittebestendige cabine ter grote van een stadsbus wordt je binnen twee uur door een enorme luchtballon kalmpjes naar 30 km hoogte gehesen. Voordat de ballon het begeeft duwt het raketje achter de cabine je zo door de ijle lucht het vacuüm in naar zo’n 60 km hoogte. Terug de dampkring in zit je al aan een cocktail in de loungebar, zachtjes wiegend onder een enorme parachute. Niet bepaald raketwetenschap allemaal.
Kijk, het is natuurlijk wel leuk dat Rotterdam weer hoog in de internationale reisgidsen wordt aanbevolen, maar we zetten onszelf pas echt op de kaart als we binnenkort zo’n duizend astronauten zouden kunnen bijschrijven.
Met wat crowdsourcing en de hulp van Branson, Gates, Google, ESO, de boeren naast RTHA op wiens land we Zestienhof gaan huisvesten en de TU Delft, droppen we zo de halve stadsdriehoek ’t luchtledige in. Met een liveshow op tv zijn we al snel uit de kosten.
Alles is mogelijk, als we maar weer leren dromen, grenzen verleggen… Als de ruimte de nieuwe oceaan is, dienen wij weer VOC’ers te worden (of mag je dat nog steeds niet zeggen?) en net als JFK wat ambitie te etaleren: “We choose to go to the moon, not because it’s easy….”
Zowel Wubbo als Andre verklaarden als nieuw mens te zijn teruggekeerd op aarde. Nou, dat wens ik een flink aantal Rotterdammers wel toe.

Dus ik zeg: stem! en go where only few have gone…

Niemandsland

Volgens recente tellingen kampt één op de twaalf Rotterdamse werknemers met burn-out-verschijnselen. Dat zijn er nogal wat. Een enorme economische aderlating, want als Rotterdam de motor is van onze economie, kampen we nationaal met panne. En als zelfs de op een na rijkste man ter wereld, Carlos Slim, sinds kort pleit voor een 3-daagse werkweek (‘Meer vrije tijd doet de kwaliteit van leven stijgen’) is er wat aan de hand.
We moeten teveel…
Dat kan anders. Daarom dit pleidooi voor Stadsalternatief nrrrr.: 3!
“Niemandsland.”
Een quarantaine-gebied voor afgetaaide zielen die off-the-grid even moeten recupereren. Een decompressie-oase voor de puflozen. Zonder gsm, wifi, media, kabel, brievenbus en gps, maar wel van alle sanitaire gemakken voorzien. Een cordon sanitaire waar moeten even hoeven wordt. Waar allerlei activiteiten te doen zijn, zolang het maar een bloeddrukverlagend effect heeft. De kracht zit ‘m in de eenvoud. Onderzoek wijst uit dat een mens die niks meer móet, maar wel van alles mág, aanzienlijk gelukkiger wordt. En laat het opschroeven van het Bruto Persoonlijk Geluk voor ons legertje uitgeblazen arbeidskrachten nu juist de meest kostenbesparende remedie zijn. Kortom, dit uniek stukje terra incognita bespaart ons bergen op de begroting.
De toelatingseisen liegen er niet om: iedere kandidaat moet kunnen aantonen er compleet doorheen te zitten. Alle gemeentelijke instanties en monetaire organisaties dienen hierbij de handen ineen te slaan, want zodra de uitgebluste uitverkorene voet in Niemandsland zet, dienen alle persoonlijke heffingen, incasso’s, bevelen, aangiftes, bekeuringen, executies en aflossingen te worden bevroren, en wordt het BSN-loze individu vrijgesteld van maatschappelijke verplichtingen. Familiebezoek is voorwaardelijk.
De locatie. Ik denk aan ‘t Brienenoordeiland, het oude quarantaine-terrein in Heijplaat of een Derde Maasvlakte.
Dan het ultimatum: het visum duurt slechts drie maanden. Dat is noodzakelijk want niemand wil er ooit nog weg. Vandaar ook het re-integratieprogramma. Een week acclimatiseren in een compressie-gebied waar je stap-voor-stap weer klaargestoomd wordt tot homo economicus. Een 3-daagse werkweek zit er dan wel weer in.

Dus stem! En steun de pufloze medemens. Opdat die spoedig weer productief moge zijn.

De Knuffeljungle

De overkapping van Rotterdams meest vervuilende verkeersader in de binnenstad, de ’s Gravendijkwal, gaat er na jaren van gesteggel toch niet komen. Zo’n dak zou de gezondheid van omringende bewoners ten goede komen maar het plan kost honderden miljoenen en dat is natuurlijk over de top voor een stad die luchtvervuiling doorgaans op de koop toe neemt. Nee, ze willen het ‘probleem bij de wortel aanpakken.’ Wat inhoud dat iedereen eerst elektrisch moet gaan rijden, dat er een algeheel rijverbod komt op vrachtverkeer, of dat ze dit Co2-riool gewoonweg dempen.
Maar er zijn alternatieven. Vandaar dit gratis achterover te drukken Stadsalternatief nrrrr.: 2!
“De Knuffeljungle”
Iedereen weet dat planten en bomen het snelst groeien naast een snelweg. Flora slikt fijnstof als Armstrong epo. Dus wat gaan we doen?
We gaan de overkapping kwéken.
We laten de roemruchte biotech- multinational Monsanto een paar sterk genetisch gemodificeerde zaden ‘bouwen’ van teakbomen, bamboe en klimop. Deze jonge Schwarzenegger-stekken worden in dikke rijen langs de rand van de weg in super-mest geplant, waardoor de boel al snel groeistuipen ontwikkelt als de Bonenstaak van Jaap. Maar voordat deze haag uit de kluiten groeit wordt de hele handel aan elkaar gevlochten. Dit kan een mondiale trend worden. Vlechten is hot (zie de Loom-elastiekjes-hype) dus ik voorzie heel wat helpende handjes die 1,2 kilometer lang, boven de ’s Gravendijkwal het geheel aan elkaar willen punniken. Naarmate de aanwas steviger en dikker wordt ontstaat er een almaar doorgroeiend dakterras van zo’n 10 km2. Alwaar we weer een prachtige passage op laten bloeien. En nu komt het mooie: daar gaan we een ander heikel politiek knelpunt huisvesten: de hoerenbuurt. Daar lust de ’s Gravendijkwal sowieso wel pap van. Dit wordt dan ook ’s werelds allereerste ‘groene’ buurt van lichte zede. Met allemaal gifgroene ledlampjes voor de ramen van knusse afwerk-palapa’s, bamboekooien, palmdansers in tijger-G-strings, bunga-bunga-party’s met Tarzan & Jane-thema’s, enfin, Ted Langenbach weet er wel raad mee. En aangezien dit het grootste groene dak van Europa wordt kunnen we ook aardig wat subsidiepotjes stukslaan. Kortom, de ’s Gravendijkwalletjes zou zomaar kunnen uitgroeien tot een uniek stukje werelderfgoed: De Knuffeljungle.

En dan de bonus: aangezien alle buurtbewoners de veiligheid verzorgen (crowd-pimpin’) krijgen ze allemaal toelages van deze oplevende bio-industrie. Ik zeg: stemmen.

De Ballen

Hoeveel keert de Staatsloterij procentueel eigenlijk uit? vroeg ik me onlangs af nadat ik er weer eens was ingetuimeld met drie loten. Wettelijk zijn ze verplicht minstens zestig procent uit te keren leerde ik na een korte zoektocht. Zestig procent! Dat is niet veel. De rest gaat dus op aan primetime reclames, sponsoring van het Nederlands Elftal, aan peperdure popups, oerwouden aan post, Staatsloterij-prullaria, holografische loten in super-de-luxe enveloppen en aan een team topbestuurders en BN’ers die tussen ons en een winnend lot foerageren.
Krankjorum.
Waarom bestaat er nog geen crowd-lotery die honderd procent uitkeert? Dat moet toch te doen zijn?
Daarom dit allereerste gratis te gebruiken Stadsalternatief nrrrr.: 1!
“De Ballen”
Een regionale loterij die iedere dag de hele inzet weer uitkeert. Een belastingvrij circuit binnen de stadsgrenzen waar we peer-to-peer dagelijks met elkaar geld uitwisselen. Zo zie ik het voor me: alle volwassen Rotterdammers krijgen elke dag, na inleg van 1 euro (kan bij noodlijdende huishoudens best gesubsidieerd worden uit de lokale belastingpot) via DigiD een uniek lotnummer.
In een grote glazen bol op een paal boven de Hofpleinvijver of het Stationsplein worden iedere zonsondergang ballen met nummers rond geblazen en opgevangen waardoor een serie winnende nummers verschijnt. Een spektakel op zich, want deze grote glazen bol zal uitgroeien tot een sociaaleconomische schrijn. Tel maar mee. Als van de 700.000 Rotterdammers de helft meedoet en je de opbrengst opdeelt in, laten we zeggen, tien hoofdprijzen van 35.000 euro, zijn er elke dag tien huishoudens die een flinke financiële opkikker krijgen. Per jaar dus 3650 blije gezinnen! Heb je eenmaal een keer gewonnen dan lig je eruit, maar betaal je nog wel dagelijks een euro. Een zelfvoorzienend systeem dus. In tien jaar tijd heeft tien procent van de stadsbewoners een keer gewonnen. Wat een economische boost!
En wat hebben we daar nou voor nodig? Een paar stevige servers, wat vernuftige programma’s en een stel hardcore algoritmes. Meer niet. Bovendien hoef je voor zo’n gulle organisatieloze loterij geen reclame te maken. Dat gaat als een lopend vuurtje. “De Ballen” is dan ook meer dan een loterij, het is de grote kapitaal-verdeler; Robin Hood 4.0. Enige obstakel: De belastingdienst. Ik zeg: toon cojones, gun ons de duiten en belast “De Ballen” niet. Wie stemt?

Forens-mens

Als mens ontwikkel ik me maar mondjesmaat; ik rook nog evenveel als jaren geleden, heb een onverminderde drankzucht en mijn korte lontje lijkt met de jaren meer te slinken. Maar als forens daarentegen evolueer ik me het leplazarus.

Nu mijn dochtertje sinds kort zonder zijwieltjes de Rotterdamse fietspaden bestiert, schieten de flashbacks aan al mijn persoonlijke vervoersmiddelen aan me voorbij. Ik herinner me mijn eerste houten step, mijn zelfgebouwde skelter, de rode fiets met ratels die ik op mijn vijfde verjaardag kreeg, de crossbrommer die ik met auto’s wassen bij elkaar sprokkelde, mijn eerste auto, een gouden Ford Escort uit 1975 die ik voor vijfhonderd gulden kocht, de dure Chrysler Dodge die ik jaren later vier dagen na aanschaf al om een lantaarnpaal vouwde.

Hoe je het ook went of keert, met de jaren verliest het persoonlijke transport z’n elan. 2005 werd mijn dieptepunt. De wereldeconomie floreerde nog en de snelwegen waren compleet dichtgeslibd door files. Ik werkte in Hilversum en deed elke dag tweeënhalf uur over de heenweg en even lang over de terugweg. De auto, synoniem voor vrijheid, degradeerde op die A12 dagelijks tot een stilstaande isolatiecel. Duizenden rokende vierwielers die allemaal rijendik stilstaan; het dreef me tot waanzin. Ik besloot het over een andere boeg te gooien. Vlot en met schoon geweten van A naar B werd mijn nieuwe streven. Ik ging dichter bij huis werken en liet een Citroën 2CV ombouwen zodat die op bio-ethanol kon rijden. Ik kon mijn geluk niet op. Totdat ook deze oplossing een farce bleek. Ik reed met m’n aangepaste eend hele suikerbietoogsten weg.

Sinds deze week rijd ik een elektrische Qwic scooter van Rotterdamse makelij die ik oplaad met groene stroom uit het stopcontact. Voilá. De laatste stap in mijn evolutionair forensisch bestaan. Vanaf heden mag ik een Homo Forensis Mundus heten, oftewel: een schoon forens-mens. Toch kleven er ook weer nadelen aan dit vervoersmiddel. Als geruisloos weggebruiker ben je je leven niet zeker. Iedere fietspadgebruiker wijkt doorgaans vanzelf uit als ze een verbrandingsmotor van achter horen naderen. Zo niet met de decibelloze Qwic. Mensen zijn er nog niet aan gewend. Niemand verwacht een muisstille inhaler. Mijn achteloze medeweggebruikers maken van schrik een ruk naar rechts als ik ze stilletjes inhaal met 40 km/u. Vooral rond schooltijd elektrisch rijden is een ware tour de force. De accu loopt meer leeg op het claxongebruik dan door tractie. Dat kan zo niet langer, besluit ik. Via via kom ik bij een student van de TU Delft. Hij ontwikkelt de audio-app voor geruisloze vervoersmiddelen. De mogelijkheden zijn legio. Een heel scala aan samples passeert de revue. Ik neem het totaalpakket en installeer vier volumeknoppen op het stuur: de “Tyrannosaurus Rex” voor groepjes scholieren. De “Sneltrein” voor moeders met kinderen achterop. “Het Luchtalarm” voor oude van dagen en de “Nuke” voor toeristen. Deze dagen leef ik helemaal op van het woon-werkverkeer.

Scooteramazone

Aside

Een dikke laag mist spookt over de kriekende stad tijdens een kille novembermorgen. Ik sta met elektrische scooter bij het rode stoplicht, onderaan de Erasmusbrug. Het is tijdens de ochtendspits altijd dringen bij het Vasteland, maar vandaag heeft het iets knus. Opeengepakt in een dampende tweewielerkudde, omringd door waterkou, wachtend op dat verlossende groen… Plots arriveert vanuit m’n linkerooghoek een andere elektrische scooter die net iets voor mij gaat staan. Doorgaans zeer irritant, maar de vrouwelijke verschijning op het radijsroze vehikel slokt mijn aandacht volledig op.

De geur van jasmijn dwarrelt over ons neer. Lange donkerbruine netgedouchte manen draperen over haar ranke schouders. Erboven een roomwitte oesjanka en onder de bonten oorflappen twee oordopjes. Ze luistert muziek. Ik kan mijn voyeurisme nauwelijks onderdrukken. Mijn rechterhand maakt ineens een ongecontroleerde beweging waardoor mijn scooter vooruit bokt. Ze merkt het niet. Gelukkig. Kalm ademt ze door haar scherp gelijnde neus, als een Arabische merrie in een dauwend weiland. Ze is van een andere stratosfeer. Haar tengere rechterduim tikt ritmisch op het stuur. Wat zou ze luisteren? Tsjaikovsky, Adele, de Stones? Net voordat mijn nek zich ten volle strekt en het stoplicht op groen springt, draait ze zich om, knipoogt speels en stuift in vortexen mist weg. Achtervolgen is zinloos. Alhoewel ze een blauw kenteken draagt accelereert de scooteramazone als een jachtluipaard. Het laatste dat ik zie voordat ze oplost is een hart, boven het achterlicht.

‘Bij Europese wet verboden mijnheer,’ zegt de norse scootermonteur vanonder borstelige wenkbrauwen. ‘Als ik die snelheidsbegrenzer er uithaal zijn we beiden strafbaar. Bovendien, hoe harder je gaat, hoe sneller de accu leegloopt.’ Ik leg uit dat ik voor lul zit als ik kaarsrecht door een bocht krabbel en dat ik me doodschaam als ik ingehaald wordt door bejaarden op elektrische fietsen. Als ik hem de situatie van die ochtend schets, ontdooit de stoïcijn. ‘Het is vrij eenvoudig…’

Nog diezelfde dag sjees ik over de fietspaden. Dagenlang zorg ik dat ik op hetzelfde tijdstip op dezelfde plek sta waar de oogverblindende sirene mijn gemoed binnenstebuiten keerde. Ik zou zo een arm afstaan als ik maar even mijn neus in haar dikke lokken zou mogen begraven. Mijn inspanningen blijken vruchteloos. Ik besluit algoritmisch te werk te gaan. Misschien is ze wel freelancer. Lukraak passeer ik de daaropvolgende dagen intuïtief het kruispunt. Ik maak zelfs omwegen. Maar zonder resultaat. Ik twijfel of ze wel echt bestaat. Of het een hersenschim was. Mist doet rare dingen met een mens.

Een maand later arriveer ik te voet bij het politiedepot aan de Boezembocht. Na herinstallatie van de snelheidsbegrenzer en technisch onderzoek mag ik de scooter vandaag weer ophalen. Even verderop zie ik een corpulente politieman een stekker in een radijsroze scooter pluggen. Mijn borstkas stokt wanneer ik het hart boven het achterlicht herken. Direct scan ik het terrein. Zou het bloedmooie enigma hier ook rondlopen? In de wachtruimte staat een gemêleerde kliek, maar zij zit er niet tussen. Met een agente haal ik even later m’n scooter uit het depot en terwijl ze nog wat reprimandes serveert, gebeurt het. Een zijingang zwaait open en daar staat ze, met telefoon tegen het oor: de scooteramazone. Ik kijk haar recht in de amandelvormige ogen. Alles voltrekt zich in bullet-time. Haren die als banieren op de wind drijven terwijl ze de trap afschrijdt. En terwijl ik nu ook haar fluwelen stem hoor telefoneren, vormen haar wijnrode lippen zich tot een glimlach als ze voorbij zweeft. Het klakken van haar hakken overstemt het bulderen van de snelweg. Mijn irissen zoomen tot tunnelvisie. Tijd lijkt bevroren. Net als ik. Ze is het volmaaktste specimen dat Gods mal ooit heeft verlaten, mijmer ik. Voor ik het weet trekt ze de stekker uit haar scooter, zwiert katachtig een been over het zadel en rijdt (met beduidend mindere snelheid) weg. De agente hoor ik allang niet meer. Ik ruk de papieren uit haar hand, spring op mijn zadel en kan alleen maar denken: nu laat ik haar niet meer gaan! Ik knal de standaard naar achter, draai de sleutel om en leun voorover om het optrekken van de scooter te absorberen (…) Niets. Een oorverdovend niets. Kortsluiting… in mijn hoofd. Nadat mijn muze wederom oplost aan de horizon kijk ik naar de energiemeter. ‘Tja, mijnheer,’ zegt de agente droogjes, ‘we laden in beslag genomen elektrische scooters net zo min op als dat we hier auto’s voltanken.’

Master Lee

Films hebben een vreemde invloed op me. Dat had ik als jochie al. Na het zien van E.T. speurde ik uren onafgebroken het luchtruim af, met Once Upon a Time in the West liep ik dagen met een holster rond en na Superman sliep ik weken met een cape. Vooral Bruce Lee-films maakten van mij een dolle hond. Een goeie vechtscène deed, onder luid gewooeehaaa!, van alles sneuvelen bij ons thuis.
Ze zeggen dat wijsheid met de jaren komt, maar bij mij werkt dat anders. Nadat ik afgelopen week twee kungfufilms en een demonstratie van Wushu-meesters op het Rotterdamse filmfestival heb gezien, ga ik direct op zoek naar een kungfuleraar. Via via kom ik bij Master Lee terecht. Hij zou bovenmenselijke krachten bezitten, een baksteen kunnen vergruizen door er slechts over te aaien. Ik popel van enthousiasme tijdens de eerste training. Ik word weliswaar tussen de kids ingedeeld, maar goed, je moet ergens beginnen.
“Alles is kungfu”, zegt Master Lee raadselachtig met Chinees accent. “Adem, denken, voelen… Zelfs tijdens het tandenpoetsen kun je kungfu doen.” Ik ben in m’n element. Doorgaans neem ik rond februari altijd een jaarlidmaatschap op een fi tnessclub, waar ik vervolgens nooit meer kom. Dit is andere koek. Hier wordt gesleuteld aan je qi, je levenskracht. En dat was allemaal wat karig de laatste tijd.
Tijdens de oefeningen imiteer ik het ventje naast me alsof ik spiek tijdens een eindexamen. Hij schiet constant in een stuiplach. Na afl oop – mijn hele lijf heeft dan al kramp – dollen we een beetje. Ik doe een Bruce Lee-imitatie, strijk een duim langs mijn neus, maak strijdgeluiden en tik hem vluchtig op zijn bol. Schaterlachend rolt hij over de grond. Even let ik niet op. Ineens maait hij vliegensvlug met één been mijn benen onderuit – ik beleef het in slow motion – terwijl ik door de lucht zweef ramt hij zijn elleboog in mijn middenrif, hakt hij zijn knuist in mijn strottenhoofd en als ik ademsnakkend op de grond val prikt hij twee vingers in mijn ogen. In de auto besluit ik nog een festivalfilmpje te pakken. Een Finse komedie.

De laatste stadsherder

Het is even voor vijven ’s nachts wanneer ik klaarwakker ontwaak. Ik kijk naar buiten. Een zilveren maan schijnt fel over de besneeuwde boomtoppen van het minibos waar tegenover ik woon. Het gebied licht op als een voetbalstadion. Ik voel een ongewone kloekheid en besluit tot een vroege ochtendwandeling. Met de hond. Dik bepakt trekken we de koude windstille nacht in. Onze voetstappen kraken gedempt in de diepe sneeuw. Stroken mist spoken over het lichtblauwe nachtlandschap. Zelfs de tijd lijkt bevroren. Even twijfel ik of ik wel wakker ben. Ineens neemt mijn hond een alarmerende houding aan. Iets verderop doemt iets op. Een schaap. In z’n eentje. Het is ofwel onverschrokken of verlamd van angst. Het staat daar maar. Als een Bijbels tafereel. Ik kijk om me heen. Niets. Een oorverdovende stilte. We staren elkaar een tijdje aan. Dat schaap en ik. Ook de hond blijft onbewogen. Een vreemd soort mystiek zwelt op; de betoverende stilte van het vroege uur, het maagdelijk witte decor, die maangloed, dat verlaten schaap… Dan hoor ik gekraak. Door de dikke mist is er weinig te zien. Geblèr (…) Hard geblèr. Langzaam tekent zich een kudde schapen af. En achter die donzige besneeuwde massa, een gestalte. Het is Arie. De schaapherder. Glimlachend, met een druppel aan zijn neus. ‘Moggûh!’ Zijn kraakheldere stem doorklieft de kou. ‘In bed gepiest?’
Voor Arie is dit geen ongewoon tijdstip. Hij slaapt alleen wanneer zijn kudde het toelaat. Vannacht had die het hazenpad gekozen. Hij heeft er een extra zintuig voor. Veel praten we niet terwijl we de ‘verloren schapen’ naar de stal terugloodsen. Arie is een filosoof. ‘Op miraculeuze wijze kruisten onze wegen zich tijdens dit magische ochtendgloren,’ grinnikt hij, ‘omdat één schaap zich over de dam waagde…’ Al dertig jaar hoedt hij schapen in De Esch. Hij zou liever sterven dan schaaphoeden opgeven. We drinken thee in de schaars verlichte stal. Naast hekken, hooi en schapen staat het vol met sculpturen en schilderijen. Arie vertelt met tussenposes over zijn overleden kunstenaarsvriend, het schaapherdervak, de heilzaamheid van het ochtendkrieken… Langzaam breken zonnestralen door de verweerde kieren van de houten stal.
(…) Die winternacht zal ik nooit vergeten.
Afgelopen week is Arie vertrokken. Naar de eeuwige graasweiden. Ze vonden hem voor het Zalmhuis. Ineengezakt in de kou. Omringd door zijn kudde. 67 jaar.

Ik zal hem missen.

Straatelite

HDie laatste dagen van het jaar doen wat met een mens. Neem afgelopen weekend. Nadat ik ’s avonds een club uitrol, kom ik buiten in de vrieskou de dakloze Henry tegen. Henry is allesbehalve een doorsnee zwerver. Hij is voorbij de zestig, komt uit Nigeria, heeft een lange grijze baard, de ogen van een zalige en de welsprekendheid van een diplomaat. De gemeente Rotterdam heeft de afgelopen jaren nagenoeg alle daklozen weten te huisvesten, behalve Henry. ‘Ik laat me niet kisten,’ grapt hij weleens. Zijn kapotte schoenen onthullen opgezwollen tenen en onverzorgde nagels. Henry is een hedendaagse Socrates: wijsheid gehuld in lompen. Alhoewel verkleumd van de kou, zegt hij luchtig: ‘Zeg, denk jij er wel eens over na, dat als alles nu zo goed is als het maar zijn kan, dat het dan helemaal zo slecht niet is?’ Henry is straatelite. Hij zal je nooit direct om geld vragen.

Sommigen denken dat z’n overleden vrouw de oorzaak is van zijn situatie, anderen een oorlogstrauma. Ik vind Henry vaak wijzer dan de meeste mensen. Deze nacht gaat het niet goed met hem. Als hij niet snel een warme schuilplaats vindt, haalt hij de ochtend niet. Zelf lijkt hij zich daar nauwelijks aan te storen. Ik neem hem mee naar mijn werkruimte, vlakbij de Binnenweg. Ik draai de kachel open, zet een hete douche aan en bij gebrek aan shampoo geef ik ‘m groene zeep. Zijn vodden gooi ik onder luid protest bij het vuil. Ik geef schone werkkleding, een paar stevige Dr. Martens, een muts, handschoenen. Hij knipt zijn nagels met een tangetje en ik vind ergens tijgerbalsem voor zijn gehavende gewrichten. Hij murmelt onafgebroken: “Alleraardigst van je’ en ‘Ach, dat hoeft toch niet…’ en ‘Moet je dat niet zelf houden?’ Ik prop hem vol met eten en drinken. Zijn glimlach lijkt wel vastgelijmd. Daarna bied ik een slaapplaats aan, in een zijruimte van het atelier. Hij valt in ‘coma’ voordat zijn hoofd het geïmproviseerde matras raakt. Ik duik de stad weer in. Al dat goeddoen heeft me goedgedaan. De volgende middag open ik de deur van het atelier… Op het stapeltje schone werkkleding dat hij heeft achtergelaten, ligt een briefje met sierlijk handschrift. “Goede vriend, moge het allerbeste van het afgelopen jaar tot het slechtste van het volgende behoren. H.”

Witheet

‘Tja,’ verzucht de corpulente vrouw met de te kleine badhanddoek hardop tegen haar graatmagere vriendin in de te grote badjas, ‘januari is toch een beetje de maandag van het jaar.’ Zo even had ik de kleine saunaruimte nog voor mezelf. Inmiddels is die oase van rust wreed verstoord en lig ik me op te vreten. Niets zo irritant als een opgedrongen gesprek in de klamme engte van een sauna terwijl je keihard ligt te reinigen. Volgens de zandloper heb ik er ruim twintig minuten op zitten. Toch zet ik door. De laatste restjes tweeduizendtien dienen in lange transpiratiesessies uitgewasemd te worden. En dat kakelende stel zal me daarbij geen haarbreed in de weg leggen. Stoïcijns blijf ik liggen.
‘Het lijkt wel alsof ik al een hele winter achter de rug heb,’ zegt de magere vrouw met een stem als een fluitketel, ‘nu moeten we nog tweeënhalve maand!’
‘Hahaha, niet te doen,’ lacht de ander raspend, ‘ze zouden de feestdagen een beetje moeten opschuiven. Zo tegen het eind van de winter.’
Mijn linkerooglid ontwikkelt een zenuwtrek. Ik ga rechtop zitten. De dikke klamheid slaat me om de oren. Het oudejaarszweet biggelt over mijn rug. Zij blijven maar kwekken. Dan sta ik abrupt op, draai demonstratief de zandloper nog eens om en gooi een paar flinke scheuten eucalyptuswater over de gloeiende stenen. Terwijl ik naar mijn plek klauter, verlies ik haast het bewustzijn.
‘Het was me het jaartje wel, hè?’ zegt de “corpulente” onverstoorbaar tegen de “magere”.
‘Ben blij dat die voorbij is.’
‘Alhoewel we wel een goeie zomer hadden.’
‘Ja, maar dat vergeet je snel hè. Met die kou.’
Mijn hoofd kookt. Enkele ledematen maken ongecontroleerde bewegingen. Bij elke ademhaling trilt mijn onderlip en stokt de borstkas. Ik bulderhoest overdreven. Ook om dat gechitchat van de vrouwen een beetje te onderbreken.
Tevergeefs.
‘Wat erg van Ria hè?’
‘Nou. Voor haar was het jaar hélémáál een drama. Vooral omda…’
‘Kò-lé-rûh!!!’ onderbreek ik ineens verhit. ‘Kunnen we godallejezus dat klotejaar nu achter ons laten!’
Ik herken mezelf niet. Log stamp ik naar de uitgang. Witheet ruk ik de deur open. ‘Een beetje stilte is hier cruciaal,’ foeter ik over mijn schouder terwijl ik expres de saunadeur openlaat en het koude dompelbad induik. Dat bij nader inzien het ondiepe voetbad blijkt te zijn.